Loading...

Schrijfsels

door Stefan Timmermans

Rotterdam

24 januari 2016 | 21:10

Een sterke koffie in de Portugese bar ‘Lisboa’ in hartje Rotterdam bewijst alweer dat ze in de zuidelijke delen van Europa kwistiger met het zwarte poeder afkomstig van gebrande en gemalen overzeese bonen omspringen.

Aan de toog hangen een paar kleine grijze Portugezen die af en toe door een binnenwaaiende Portugese cafékennis hartelijk worden begroet.

Achter de toog is een kleine, wat dikkere man met een wat strenge uitstraling druk in de weer; op afgemeten wijze bestiert hij zijn volle zaak, bijgestaan door een Braziliaans/Angolees,…? meisje en een jonge snaak die de zaal bedient.

In de kleine ruimte voor de toog staan een stuk of zes tafels waar je voor relatief weinig geld eenvoudige gerechten uit de Portugese keuken voorgeschoteld krijgt.

De ‘Lisboa’ kan duidelijk op een vast lusitaans cliënteel rekenen en heeft amper last van enige toeristische bezoedeling.  Nu ja…

Ik was net nog in de gezellige koffiebar Kopi Soesoe (Indisch voor koffie met kardemonzaad en gecondenseerde melk én koosnaampje voor iemand met Indonesische roots) bij het Delhiplein aan de overkant van de imposante Maas die je in deze stad niet kan negeren. 

De vrij onstuimige en druk bevaren rivier met wereldse allures is bepalend voor deze moderne stad met haar schaarse en goed verborgen restjes aan romantiek voor de liefhebber (Hotel New York, etc…).

Op de terugweg van het hippe schiereilandje Katendrecht (vroeger hoerenbuurt) voer ik met de veer (een gezellig houten bootje dat een pak gezapiger dan de zoevende watertaxi’s voor mensentransport op de Maas zorgt) langs de imposante Erasmusbrug waar ik op de heenweg over stapte.

In de Kopie Soesoe kies ik uiteraard voor de gelijknamige huiskoffie die zijn gelijke niet kent.

De ‘cheese cake’ valt helemaal onder de zelfde noemer en dwingt me bijna er nog eentje te bestellen…

‘ Kaastaart???  U komt vast en zeker uit België; wij zeggen cheese cake want wij hebben daar namelijk geen woord voor in onze taal.’

Het zit ‘em in van die kleine hoekjes; we zijn hetzelfde en toch niet.  Lang niet…

Op weg naar het station pik ik nog een broodje sprot mee op een overvolle markt met bijhorende (in ‘hun’ taal) roepende verkopers.  Heel wat anders dan de chique overdekte moderne markthal (mooi staaltje van hedendaagse architectuur) met een overaanbod aan exquise hapjes en producten.

Ik kies nog voor een laatste koffie in het industrieel aandoend gebouw van Douwe Egberts aan het station. 

Exact twaalf uur nadat ik uit mijn bed stapte in Gooik, zit ik dan in het midden van het moderne station op een bankje te rusten en te wachten op de trein die me in twee uur naar Brussel zal brengen.

Beide zijden van de brede ‘allee’ die dwars door het station loopt vormen een lange ketting van koffie/eetplekjes en winkels.

Het is altijd leuk om te midden een zich haastende bonte mengeling van mensen even stil te zitten en te observeren…

Tik, tak, tik, tak, … : de grote stationsklokken lijken intussen de vergankelijkheid van dat alles te symboliseren, iets waar ik vandaag verschillende voorbeelden van te zien kreeg in de werken van de uitstekende tentoonstelling ‘Van Bosch tot Breugel’ (de zandloper, de uitgedoofde kaars, …)

Ik pikte voor dezelfde prijs ook de prestigieuze vaste collectie van het museum mee met o.a. Rembrandt van Rijn, Rubens, Monet, Picasso, Mondriaan,  etc…

Net voor ik mijn bankje wil verlaten, komt een wat afgeleefde ouwere (op straat levende?) man naast mij zitten met een bekertje koffie in de hand.

Het feit dat hij niet voor het clichéblikje goedkoop bier kiest verleent de rijzige magere man alvast enige waardigheid.

Hij leunt zich naar mij toe en vraagt of ik muziek aan het componeren ben : ‘Nou, zo een inspirerende plek als dit ‘statsjion’ lijkt me anders wel een ideale omgeving om muziek bij te schrijven.  Er bestaat vast wel een muziekstuk over een station maar ik weet even niet meer welk of van wie het is.’

‘In de belle-époque! Ja, dat moet het zijn!’

Ik wens de vriendelijke  man een fijne avond en nacht toe en vertrek naar het perron.

Je ziet me weer, Rotterdam!

Bij de man stel ik me een personage van een aan lager wal geraakte (drank, geld, scheiding, verlies,…) professor voor.  Hij straalt ondanks de vele diepe groeven in zijn gezicht met diepliggende staalblauwe ogen toch een soort rust uit :

de blik van een ‘Beobachter’,  niet (meer?) van een deelnemer.

Wie alleen (door het leven) reist, hoeft niet per se deel te nemen; hij neemt waar…